De grijze betonnen vloer was ruw, als schuurpapier, en zoog gretig water op. De doek – een grove jute – was zwaar geworden van het vocht en vuil, en veranderd in een koude klomp die met kracht moest worden uitgewrongen.
Katya voelde elke oneffenheid van het oppervlak door het dunne rubber van haar handschoenen, voelde de kou van de ijzige vloer tot aan haar knieën stijgen.
Ze bewoog methodisch haar hand naar rechts, dan naar links, en tekende natte halve cirkels.
Deze monotone beweging had een eigen ritme, een soort meditatie waardoor ze haar gedachten kon uitschakelen en zich volledig kon concentreren op het schoonmaken. Het vuil liet zich niet meteen verwijderen – ze moest harder drukken en voelde de weerstand van het materiaal.







